Geschiedenis van de 

Sint-Sebastiaansgilde binnen Brugge

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipisicing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur. Excepteur sint occaecat cupidatat non EN

(+/- 1380-1573)

Van het begin tot de Lombaertsheester

Aangezien er geen stichtingsoorkonde (meer) bestaat, is de exacte stichtingsdatum van de Sint-Sebastiaansgilde te Brugge, hierna genoemd “de gilde”, niet gekend. Vroeger werd wel eens beweerd dat gildebroeders reeds deelnamen aan de kruistochten, een mythe die wellicht geïnspireerd wordt door het Jeruzalemkruis dat op het gildewapen prijkt.

De oudste datum waar verwezen wordt naar de handbooggilde is te vinden in een archiefstuk uit 1491. Daarin wordt een overeenkomst vermeld die de gilde op 13 juni 1396 afsloot met de Brugse Minderbroeders voor het opdragen van missen in een zijkapel van de kloosterkerk. De gilde is waarschijnlijk enkele decennia eerder, net voor 1380, ontstaan. In de Brugse stadsrekeningen van 1379 vindt men inderdaad voor het eerst de vermelding van “ghesellen met handboghen”.

Hoewel de wortels van de schuttersgilden kunnen gezocht worden in de stedelijke milities, was hun militaire betekenis bij hun ontstaan in de veertiende en hun glorieperiode in de vijftiende eeuw beperkt of onbestaande. Ze ontstonden als lekenbroederschappen, naar analogie met de ambachtsgilden. De gildebroeders waren weliswaar hoofdzakelijk boogschutters, die net als andere poorters, oproepbaar waren voor de verdediging van de stad en krijgstochten, maar de gilde zelf was geen militair korps en trad niet als dusdanig op. Ook echtgenoten en kinderen konden immers lid worden van de gilde, net zoals edellieden en zelfs geestelijken. Het stond de stedelijke boogschutters vrij al dan niet toe te treden tot dit, relatief exclusieve, broederschap.

Naast het beoefenen van hun recreatieve hobby, het papegaaischieten, en het organiseren van feestelijkheden daarrond, konden de gildebroeders in de gilde ook hun caritatieve en religieuze behoeften voldoen. De hierboven vermelde kapel werd hun huiskapel waar de opgedragen missen en de verering van de patroonheilige Sint-Sebastiaan moesten bijdragen tot hun eigen zielenheil en dat van hun overleden confraters en verwanten in het hiernamaals. De drieledige structuur van de leiding van het gildebestuur (de Eed) (Hoofdman/Stadhouder, Dekens en Sire) weerspiegelt de drie belangrijke elementen in het ontstaan van de gilde (stadsmilities, lekenbroederschappen en schietingen).

In de 15de en 16de eeuw stonden de zes Brugse wapengilden in het epicentrum van het sociaal leven in de stad. Van deze wapengilden slaagde enkel de Sint-Sebastiaansgilde erin het patrimonium en de oude tradities te bewaren en (bijna) ononderbroken actief te blijven tot vandaag. Ze kan zich dus terecht de oudste sportvereniging ter wereld noemen.

In de eerste eeuwen werden ook regelmatig echtgenotes van gildebroeders lid, niet om deel te nemen aan de schietingen maar om de caritatieve werken ter harte te nemen. Naarmate het religieus-caritatief karakter afnam en de gilde meer en meer evolueerde tot sportvereniging en vriendenkring, werden minder vrouwen lid. De laatsten werden in 1801 ingeschreven.

Naast de kapel in de Minderbroederskerk, beschikte de gilde vanaf 1454 over een gildehuis en terreinen in de Rolweg, het Handbogenhof, waar zich thans het Guido Gezellemuseum bevindt. In 1573, onder het hoofdmanschap van Guido Laurijn, werd de Lombaertsheester aangekocht, wellicht gebouwd in 1546, in een toen al wat oubollige gotische stijl en in 1570 ingrijpend verbouwd door Cornelis de Blois. Tot op heden is dit mooie pand in de Carmersstraat het toneel van alle gildeactiviteiten, wekelijkse schietingen en feestelijkheden rond de feestdag van Sint-Sebastiaan (20 januari) en in juni met vieringen van de jubilarissen met 25 of 50 jaar lidmaatschap.

(1578-1662)

Troebele tijden en een onverwachte meevaller

Van 1578 tot 1584 werd Brugge bestuurd door een calvinistisch bewind. In 1578 werd het zilver- en goudwerk van de kapel van de gilde opgeëist en ingeleverd bij het stadsbestuur, onder meer het bijna twee kg zware zilveren reliekschrijn met het schedelfragment van Sint-Sebastiaan. Dat laatste was in 1428 door paus Martinus V aan de gilde geschonken. Van het oorspronkelijke zilver bleven enkel de koningsvogel en de Sirescepter tot heden in de gilde bewaard. In hetzelfde jaar werden de kerk en een deel van het klooster van de Minderbroeders gesloopt. De broeders manifesteerden zich in hun preken als sterke tegenstanders van de nieuwe religie en betaalden het gelag.

Toen in Engeland het conflict tussen het parlement en koning Charles I Stuart ontaardde in een bloedige burgeroorlog waarbij de koning in 1649 onthoofd werd, moest zijn oudste zoon, koning Charles II,  in 1651 Engeland verlaten voor een jarenlange ballingschap op het Europese continent op de vlucht voor de nieuwe machthebber, Oliver Cromwell. In het voorjaar van 1656 kwam hij in Brugge aan, later vervoegd door zijn jongere broers, Henry, duke of Gloucester en James, duke of York. Ze interesseerden zich snel voor de Brugse schuttersgilden. Hun voorkeur ging uit naar het handboogschieten, waarmee ze in Engeland meer vertrouwd waren. De koning, zijn broer Henry en enkele Engelse officieren werden lid van de gilde in augustus 1656 en namen regelmatig deel aan de activiteiten.

Tijdens zijn verblijf in Brugge, liet de koning met het oog op een eventuele terugkeer naar Londen, een 400-tal  Engelse vrijwilligers ronselen. Dit te Brugge opgerichte First Regiment of Foot Guards werd later ingezet op diverse slagvelden en droeg bij tot de nederlaag van de Franse Grenadiers van de Garde Imperiale in Waterloo in 1815. Het kreeg vanaf dan de naam “The First or Grenadier Regiment of Foot Guards”. Sinds  1877 als Grenadier Guards, misschien beter bekend als “Berenmutsen”, zijn ze nog steeds actief, niet enkel om de koninklijke wacht op te trekken aan Buckingham Palace maar bij vele Engelse buitenlandse militaire operaties.

De koning verliet Brugge definitief in maart 1659. Na het overlijden van Cromwell, kon hij de Engelse troon bestijgen in 1660 en regeerde tot zijn dood in 1685. Hij was blijkbaar zijn gulle ontvangst te Brugge niet vergeten want hij schonk in 1662 een groot bedrag aan de gilde die hiermee de majestueuze Koningszaal liet bouwen, die de gildelokalen in omvang bijna verdubbelde. Zijn borstbeeld siert nog steeds de monumentale schouw.

Deze onvoorziene speling van de geschiedenis, was het begin van de geprivilegieerde relatie met Engeland en het Engels Koningshuis en met de Grenadier Guards.

(1798-1944)

Bijna het einde …..en toch herrezen, maar met minder religie

In de decennia na de sloping van de gildekapel in het Minderbroederklooster,  hielden de gildebroeders hun religieuze activiteiten in verschillende  kerken en kloosters in de stad tot in 1686 een eigen kapel in gebruik werd genomen, aangebouwd aan het bestaande gildegebouw.

Na de bezetting en inlijving van de Nederlanden bij de Franse republiek, werden alle broederschappen en gilden als relieken van het Ancien Régime, juridisch ontbonden en hun goederen aangeslagen. In 1798 werd de Lombaertsheester te koop aangeboden. Het voorbestaan van de eeuwenoude gilde was uiterst bedreigd. Enkele ondernemende gildebroeders stichtten een nieuwe maatschappij “Vyncke-Van Outryve-Van den Kerckhove” die het eigendom zou opkopen. Griffier Petrus Vyncke slaagde er inderdaad in de Lombaertsheester te kopen voor 45.000 Fr. 

Toen Napoleon de meest fundamentalistische republikeinse maatregelen had teruggeschroefd, kon de gilde in 1809 het eigendom terugkopen van Vyncke & Co. . Overigens blijkt uit archiefstukken dat de activiteiten in de gildegebouwen ononderbroken bleven doorgaan tijdens deze onzekere periode. De geschilderde portretten van de redders van het gildepatrimonium sieren niettemin terecht de wanden van de in 1856 nog vergrote Koningszaal, met op de ereplaats Pertrus Vyncke, geschilderd als deken en jubilaris in 1824.

Ledenlijsten, verslagen van de Eed en rekeningboeken getuigen van de rustige hervatting van het gildeleven en van de bouwkundige en andere activiteiten na deze levensbedreigende episode. Ook in de negentiende eeuw bleef de gildekapel in gebruik en de gilde deed daarvoor een beroep op een proost. De laatste proost was Léon de Foere (van 1833 tot 1850).

In 1834 werd de gilde erkend als “Koninklijk” door Leopold I. In 1868 besliste de Eed om het religieuze karakter van de gilde op te heffen. De gilde bleef bijna een eeuw lang uiterst vrijzinnig en antiklerikaal en afficheerde zich in 1883 als ‘Saint-Sébastien, société royale, loyale et libérale’. Het aangebouwde koor van de kapel werd in 1900 weer afgebroken.

Aldus eindigde de rijke geschiedenis van de gilde op kerkelijk en religieus vlak. De enige restanten die er in de gilde nog aan herinneren zijn een aantal oorkonden en archiefstukken, het schilderij dat het altaar van de eigen kapel sierde, een Sint-Sebastiaan van Jan Antoon Garemijn uit 1768, en de naam van de aan het afgebroken koor aanpalende ruimte die nog steeds Kapellekamer heet. 

Op of rond de feestdag van Sebastiaan (20 januari) wordt wel nog steeds een feestelijk banket gehouden, weliswaar zonder de vroegere vier uitgenodigde minderbroeders die in Brugge al lang niet meer aanwezig zijn.

(1944-heden)

Groei en bloei in de recente decennia met een hopelijk lange en grootse toekoms

Het achtereenvolgende hoofdmanschap van Henri Godar (1944 – 1979), Willy Van Poucke (1983 – 2002) en Hubert François (2002 – 2018) met de medewerking van vele gildebroeders legde in de voorbije halve eeuw de basis voor de grote bloei van de gilde die, onder laatstgenoemde in een stroomversnelling, vandaag heeft geleid tot een wellicht in het verleden nooit geëvenaarde dynamische gilde “in topvorm”.

    • Het ledenbestand werd gediversifieerd. Alle filosofische, politieke of religieuze overtuigingen kunnen vertegenwoordigd zijn. In 1973 werd het Nederlands ingevoerd als voertaal.
    • Het doelschieten werd in ere hersteld en een keizerschieting voor de beste doelschutter wordt jaarlijks georganiseerd.
    • Het gebouwenpatrimonium werd en wordt nog steeds met veel zorg onderhouden en zo nodig gerestaureerd. Sinds 1958 is het geheel geklasseerd als beschermd monument.
    • Het gildehuis is voor bezoekers opengesteld als museum. Waardevolle schilderijen, zilver en overige kunstvoorwerpen worden er getoond evenals talrijke andere herinneringen aan het rijke verleden o.a. ook aan bezoeken en het erelidmaatschap van Britse en Belgische vorsten. Koningin, toen nog prinses, Mathilde in 2008 en prinses Astrid in 2016 zijn voorlopig de laatsten in de rij van koninklijke ereleden.
    • Het eeuwenoude archief wordt ter plekke zorgvuldig bewaard en beheerd door de archiefcommissie die de inventarisatie en in de laatste jaren ook de digitalisatie ter harte neemt. Het oudste aanwezige archiefstuk dateert van 13 december 1416. Zeshonderd jaar later werd in het najaar 2016 een tentoonstelling opgesteld en een boek uitgegeven over 600 jaar gildearchief.
    • De al langer bestaande banden met het Engelse koningshuis en met de Grenadier Guards werden versterkt. Nieuwe contacten werden gelegd met de Royal Company of Archers, die fungeren als de lijfwacht van de Queen in Schotland. Queen Elisabeth bezocht de Gilde in mei 1966. In september 2006 werd met veel luister het 350-jarig bestaan van de Grenadier Guards gevierd te Brugge. Een aantal gildebroeders waren actief betrokken bij de planning (vanaf 2008), de realisatie en de inhuldiging van de Flanders Fields Memorial Garden te London in 2014.

 

Dit historisch overzicht toont u ongetwijfeld aan dat we terecht mogen hopen dat de gilde de eenentwintigste eeuw en nog vele eeuwen nadien zal blijven bestaan, met respect voor het rijke verleden, zich aanpassend waar nodig en met als leidraad het adagium :

‘Leef met het verleden maar niet in het verleden’