Kapellekamer
Kapellekamer
Minstens vanaf 1396 liet de gilde haar herdenkingsmissen voor overleden broeders
opdragen in de kloosterkerk van de minderbroeders Franciscanen op de Braamberg,
een weide buiten de muren toebehorende aan de stad.
In de Geuzentijd deed het Franciscanenklooster zich echter kennen als
bestrijder van de nieuwe godsdienst. Dit had tot gevolg dat op 26 juli 1578,
onder een Calvinistisch stadsbestuur, drie franciscanen op de brandstapel stierven,
beschuldigd van sodomie, en dat het klooster werd gesloopt.
Marguerite Yourcenar (1907-1987) heeft deze tragische episode verwerkt in haar
L'oeuvre au noir.
In 1685 vatte men het idee op om aan de noordzijde van de gildegebouwen
een koor bij te bouwen, zodat een kapel kon ingericht worden in wat op heden
nog steeds de kapellekamer heet, hoewel het koor zelf in 1900 opnieuw werd afgebroken.
Het koorstuk, een Sint-Sebastiaan van Jan Antoon Garemyn uit 1768,
is nog steeds in het bezit van de gilde en bevindt zich in de inkom.