Koninklijke Hoofdgilde Sint Sebastiaan
 
600 jaar archief

Van ’t Freren convent tot het Lombaertheester

Het oudste archiefstuk van de gilde dateert van 1416. Naar aanleiding van deze bijzondere verjaardag stelt de gilde een selectie uit haar rijke archief tentoon. De tentoonstelling is ingedeeld in acht thema’s, die een reflectie zijn van de inhoud van het archief en van het gildeleven in de vroegste eeuwen van haar bestaan. In principe loopt de tentoonstelling van de vroegste sporen bij de Franciscanen tot de intrek van de gilde in het Lombaertsheester in 1573. Daarna begon een nieuw tijdperk in het gildeleven, dat nog steeds voortduurt op dezelfde locatie.

1. Vroegste sporen: bij de Franciscanen

Een stichtingsdatum van de Brugse Sint-Sebastiaansgilde is niet bekend, maar ze bestond zeker al in de tweede helft van de 14de eeuw. Toen kwamen de handboogschutters op regelmatige tijdstippen samen, buiten militair verband, om religieuze en recreatieve redenen en om zich te oefenen als schutters. De oudste archiefdocumenten die de gilde bewaart, getuigen van de intense contacten met het klooster van de Franciscanen (Minderbroeders) op de Braamberg, waar de gilde een kapel had.

2. De patroonheilige Sint-Sebastiaan

De martelaar Sint-Sebastiaan uit de derde eeuw werd door de Brugse en vele andere handboogschuttersgilden als patroonheilige vereerd omdat hij volgens de legende bij zijn marteling met pijlen werd doorzeefd. In de aan hem gewijde kapel in het Minderbroedersklooster werd een relikwie van de heilige bewaard en konden aflaten worden verkregen. De zilveren reliekhouder is verdwenen door de opeising tijdens het calvinistisch bewind in Brugge van 1578-1584. De kapel was verder versierd met vrome schilderijen, wellicht ook werken van Memling.

3. Erkenning door de stad

De Sint-Sebastiaansgilde werd officieel erkend door het stadsbestuur van Brugge in 1425. Aan de erkenning waren rechten en plichten verbonden. De gilde kreeg een hoofdman, een persoon van hoog aanzien op maatschappelijk vlak, die de eed aflegde aan het stadsbestuur. De stad kende toelagen toe en de leden betaalden diverse bijdragen. De inkomsten en uitgaven van de gilde werden bijgehouden in afzonderlijke rekeningboeken, die in de 16de eeuw werden ingebonden in fraaie lederen banden.

4. Eerste Gildehuis in de Rolweg

Voor de niet-religieuze activiteiten kwamen de gildeleden vanaf 1454 samen in een gildehuis. Het eerste gildehuis lag aan de zuidzijde van de Rolweg, tegen de vestingen, waar nu het Guido Gezellemuseum gevestigd is. Het huis met erf werd geschonken door hoofdman Jacob Adornes, die het van zijn broer Pieter kon overnemen. In de tuin werd op doel geschoten, maar andere schietingen vonden zoals vanouds plaats op de vestingen, op en tussen de molens.

5. Wapen en parure

Zoals elke respectabele vereniging voerde de gilde een wapen. Dit is een zinnebeeldig en kleurrijk kenteken in de vorm van een wapenschild. Het ontstond in de tweede helft van de 15de eeuw en is in zijn grondvorm identiek met dit van veel andere Sebastiaansgilden. Het kenteken werd ook aangebracht op vaandels, op de feestkledij of ‘parure’ en op de staatsiesymbolen van de chefs. De vergulde koningsschakel met gaai en de zilveren sirescepter behoren tot het oudste burgerlijk zilverwerk dat in Brugge bewaard is.

6. Verhouding tot andere gilden

De gilden binnen de stadsmuren waren hoofdgilden: die van Sint-Sebastiaan voor de handboogschutters, Sint-Joris voor de kruisboogschutters en Sint-Michiel voor de hellebaardiers. De hoofdgilden hadden voorrang op de gilden uit de omgeving. Tussen de Sint-Sebastiaansgilden van Brugge en van Sint-Kruis ontstonden langdurige conflicten. Overigens waren er intense contacten, ook met de gilden uit andere steden. Een hoogtepunt was het internationaal schiettoernooi van 1535 in Brugge.

7. Lidgelden en doodschuld

Nieuwe leden van de Sint-Sebastiaansgilde betaalden een intredegeld en beloofden een doodschuld, opeisbaar na hun overlijden en bedoeld om hun uitvaart in gildeverband te bekostigen. Daarnaast moest een jaarlijks gildegeld betaald worden, maar door een hervorming halfweg de zestiende eeuw volstond voortaan de doodschuld. Deze werd ingeschreven in speciale registers. Minder vermogende gildebroeders kregen bepaalde vrijstellingen. Vrouwelijke leden betaalden een kleiner intredegeld.

8. In het Lombaertsheester

Wegens de herhaalde hoge kosten aan het gildehuis in de Rolweg besliste de gilde in 1572 een nieuw lokaal met hof aan te kopen. In 1573 verwierf ze het prestigieuze huis ‘het Lombaertsheester’, gelegen in de Carmersstraat, met bijhorend erf uitgevend in de Rolweg, vlak tegenover het oude handbogenhof. Aan de aankoop, gevolgd door de bouw van een schuttersgalerij en doelhuizen, waren grote uitgaven verbonden. Het domein en de gebouwen zijn evenwel tot op de huidige dag in gebruik gebleven.

De Sint-Sebastiaansgilde Binnen Brugge heeft sinds 1573 haar vaste stek in het Lombaertsheester. Ze komt er tot op heden op vaste tijdstippen samen om er in recreatief verband het schieten met de handboog te beoefenen. Ze houdt er de aloude tradities die het gildeleven kenmerken in ere.
Voor wie nog meer wil vernemen over de geschiedenis en het patrimonium van de gilde, is een bij deze gelegenheid verschenen boek ’Sint-Sebastiaan binnen Brugge. 600 Jaar Gildearchief’ verkrijgbaar.

  • Perkamenten oorkonden (vanaf 1416)
  • Rekeningboeken (vanaf 1454)
  • Ledenlijsten (vanaf 1514)
  • Doodschuldenregisters (vanaf 1547)
  • Reglementen en uitslagen van de schietingen


St. Sebastiaansgilde Carmersstraat 174 , B-8000 Brugge | Tel: +32(0)50 33 16 26 | griffier@sebastiaansgilde.be Realisation & design by DUO©